Kunst en ethiek


Vitale cultuur

Over de relatie kunst en maatschappij is met betrekking tot kunstbeleid al heel veel gememoreerd. Meestal in de zin van kunst als waarde op zich en kunst als toevoegende waarde aan economie en vrije tijd. Sinds het begin van de 21e eeuw lijkt er een soort tussencategorie te ontstaan – de creatieve industrie – die in de praktijk toch weer sterk aanleunt tegen het economische belang. Niet vreemd aangezien ook kunstenaars dingen maken die een commercieel profijt kunnen hebben. Daar worden op academies althans vaak op aangestuurd. Echter gezien die tussenpositie van artistiek en toch functioneel, werd in kunstbeleidcircuits soms de gehele kunstproductie als ‘creatief industrieel’ genomineerd. Dit zorgde mede geholpen door theoretici als Richard Florida die de grote, noodzakelijke, voordelen van deze categorie voor een cultuurwelvarende stad  beschreef, voor een ideologische ommekeer. Meer en meer werd van kunstenaars verwacht zich in te zetten voor een soort ‘algemeen belang’, zeker als er subsidies in het spel waren of bepaalde opdrachten te vergeven. De concepten ‘design’ en ‘toegepaste kunst’ kregen zo een zeer eerbiedwaardig én sympathieke, want bijdragend aan algemeen geluk, meerwaarde. Deze kunst gaf rumoer, want mediageniek, en ondersteunde ook nog een moderne vormgeving van een nieuwe levenswereld. De kunstenaar wordt culturele ondernemer en werkt aan onze toekomst.

Een evaluatie lijkt nu nog meer op zijn plaats omdat de roep om meer verbeelding in huidige maatschappijvisies, opgeld doet. Aanleidingen zijn al eerder gesignaleerd door transformatiedeskundigen, architecten en sceptische duiders van het neoliberalistische gedachtengoed dat de afgelopen veertig jaar een groot deel van het westerse wereldbeeld domineerde. De vraag werd: wat te doen. Gaat de kunstenaar zijn eigen, inventieve en cultuurkritische gang of wordt hij slippendragende, marktconforme, normondersteuner, nudger, propagandist van een goed gedisciplineerde wereldorde . 

Maxim Februari stelde die vraag op scherp tijdens de Huizingalezing 2020. Daarin pleit hij voor meer ‘slechte’ kunst in plaats van wereldverbeterende kunsttoepassingen. De omschrijving van ‘slecht’ bepaalde de lijn van zijn betoog en kwam neer op een pleidooi voor onaangepastheid en outsider-positie. De toekomstverbeelding waartoe kunstenaars, ook door kunstenaars zelf, worden opgeroepen vertrouwt hij niet. Vooral gezien de ervaringen met de tegenwoordige technologie en dataverwerking kan toegepaste kunst in de val lopen van ideologische exploitatie. Februari stelt nogal abrupt zijn literaire fictieopvatting samen op grond van het adagium dat kunst het ongeordende behandelt en dat daarbij geweld en destructie een vast onderdeel is. Hij lijkt hierbij een nogal romantechnische dialectiek aan te hangen dat het artistieke verhaal zonder ‘slechte’ aspecten nooit een opmaat kan zijn tot een realistisch beeld van het goede. Een moralistische visie, waarschijnlijk vanuit de gedachte dat het mooie alleen herkenbaar is tegenover het lelijke en onwenselijke. Hetgeen doet denken aan zogenaamde ‘gevaarlijke’ schrijvers als Nietzsche en Cioran.

Februari wantrouwt per definitie het idee van een alomvattend goed. We zouden veel meer de ethische consequenties moeten doordenken van idealistische voornemens vanwege mogelijke tegenstrijdige effecten. De oplossing van een klimaatcrisis zou bijvoorbeeld best wel eens ondemocratische maatregelen tot gevolg kunnen hebben. Kunnen we én de klimaatcrisis oplossen en democratisch blijven samenleven, kunnen we én onafhankelijk kunstenaar en social designer worden? Kunnen we niet allebei zijn? De verheven buitenstaanderpositie en het ‘slechte’, het provocatieve, als norm ook binnen niet-kunstkringen, klinkt toch ook wel een beetje sleets. Zeker als het beslag krijgt zonder specifiek doel, zonder een relatie tot ‘het betekenisloze’ als kenniscomponent, als wil tot weten.

Kernpunt van zijn these is uiteindelijk dat als kunst, of juister: kunstenaars, in de activistische zin de openbare ruimte mede gaan bepalen, daarmee een beheersing van die ruimte mogelijk maken waar Februari het liefst plekken open laat om vrij te kunnen leven, vrij te kunnen willen, vrij om zelf uit te maken wat we willen weten. Hij omschrijft trouwens kunst als een vorm van levenskunst. Hetgeen ook betekent, in de geest van Huizinga, dat je niet van alles zeker kunt zijn en als kunstenaar ook heel veel dingen niet weet en toch verder moet. De lezing eindigde daarom met een nogal speels cliché: “het tuinhekje staat open”. Hoewel dit citaat getuigd van een ironische open deur is er veel te zeggen voor een meer vitale en vitalistische kunstkritiek.

* 49e Huizinga lezing 11 december 2020, Academiegebouw Leiden. 

Maxim Februari is tevens lid van de Academie van Kunsten. Voor een verdere discussie kan het interessant zijn de opzet van deze Academie te vergelijken met de missie van de SCR, de Sociaal Creatieve Raad.

Geplaatst in Geen categorie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: